Van Advent tot Driekoningen

De wintermaanden december en januari lijken vol tegenstellingen. Koud, donker, kale natuur buiten tegenover warmte, licht en bonte kerstversieringen binnen. Een periode van feesten maar ook van bezinning. Afscheid van het oude jaar en verwelkoming van een nieuw begin. Op basisschool Wonnebald is het een periode met veel vieringen. Op een ingetogen manier rond advent en uitbundiger rond kerst en de jaarwisseling met het kerstspel en driekoningen.

Advent
De adventstijd begint op de vierde zondag voor Kerstmis. De naam is afgeleid van het Latijnse 'adventus', dat 'komst' betekent. Het is de komst van het licht op aarde, waaraan de adventstijd vooraf gaat. We zijn op weg naar de langste nacht. De herfst gaat over in de winter. Niet voor niets hebben we het over de ‘donkere dagen voor kerst’.

In donkere tijden word je als mens teruggeworpen op jezelf. We worden niet afgeleid door wat er zich buiten ons afspeelt, en er is alle ruimte om ons met de binnenkant bezig te houden. Als duisternis en stilte overheersen, rest ons niet veel meer dan voelen: het innerlijk licht krijgt een kans. In de adventperiode steken we elke zondag een kaars in de adventskrans aan. Dit groeiende kaarslicht staat symbool voor het innerlijke licht dat het aardedonker kan overwinnen. Met de geboorte van het kerstkind is dit innerlijke licht gekomen om te groeien in mensen.

In de school besteden we in deze periode iedere maandagochtend aandacht aan advent, door te beginnen met een samenzijn in de aula. Een kwartier van serene sfeer in het donker - alleen elke week een extra adventskaarsje - samen luisteren naar mooie muziek. De kleuters lopen een 'adventstuintje': dennengroen ligt in de vorm van een spiraal en binnenin brandt het licht (in de vorm van een grote kaars) waaraan elk kind zijn kaarsje mag aansteken. Zo maken zij ieder de beweging naar binnen en vinden daar het licht.

Kerstmis
De tijd voor kerstmis is een louteringstijd, daarna kunnen we de geboorte van het kerstkind op aarde ervaren. Dit wordt naar oud gebruik gevierd in de nacht van 24 op 25 december: Stille Nacht. Kerstmis is het verhaal zoals dat verteld wordt in het evangelie van Lucas. Maria en Jozef zijn op weg van Nazareth naar Bethlehem, waar het kind geboren wordt in een eenvoudige stal.  Aan de herders die op het veld de wacht hielden over hun schapen verscheen een engelenkoor dat zong. Een ster wees hen vervolgens de weg naar de stal, waar zij het kind vonden, in doeken gewikkeld gelegen in een kribbe, omgeven door een hemels licht. Op vrijwel alle vrije scholen wordt deze gebeurtenis jaarlijks op het toneel gebracht, door de kinderen zelf en/of in het Oberurfer kerstspel (link naar zie verder) door ouders en leraren.

Dertien heilige nachten
In de kerstnacht van 24 op 25 december beginnen de dertien heilige nachten. Ze verbinden het oude jaar met het nieuwe en het kerstfeest met het feest van Driekoningen. Traditioneel werd aan deze heilige nachten een bijzondere betekenis toegekend. Eeuwenlang werden in de boerenhuizen in de Alpen de stallen en schuren uitgerookt met wierook of brandende jeneverbestakken, om de boerderij te zuiveren van ‘kwade krachten’ die zich daar hadden verzameld in het afgelopen jaar. Ook werd veel betekenis toegekend aan bijzondere dromen en ontmoetingen in deze periode. Zij zouden iets kunnen zeggen over wat ons in het nieuwe jaar te wachten stond.

Ook nu kunnen we de dertien heilige nachten zien als een periode van rust en bezinning, om terug te kijken op het jaar dat achter ons ligt en de innerlijke kracht te verzamelen om optimistisch aan een nieuw jaar te beginnen. Tegenwoordig is het vaak de gewoonte dit te beperken tot oudejaarsavond, wanneer we goede voornemens maken, toosten op een voorspoedig nieuwjaar en het oude jaar ‘wegknallen’ met vuurwerk. Maar waarom niet wat langer stilstaan bij deze overgang van oud naar nieuw?

Driekoningen
Het verhaal van de wijzen uit het oosten, ofwel drie koningen, is afkomstig uit het evangelie van Mattheus. Drie koningen zien een bijzondere ster: de aankondiging van de geboorte van een nieuwe koning. Ze gaan de ster achterna en nemen ook een cadeau mee voor Jezus: Melchior schenkt het goud dat symbool is voor wijsheid, Balthasar schenkt wierook, symbool voor het gebed en Caspar schenkt mirre, symbool voor onsterfelijkheid. Er zijn nog meer betekenissen voor deze drie gaven. De dag van Driekoningen, 6 januari, is ook de dag dat Johannes de Doper dertig jaar later Jezus doopte. De neerdalende duif is het beeld dat gebruikt wordt voor deze gebeurtenis. In Oost Europa is 6 januari de datum voor het kerstfeest.

Op school wordt Driekoningen voornamelijk gevierd in de onderbouwklassen. Het lot bepaalt wie er koning wordt. Er is een driekoningenbrood gebakken met drie boontjes erin. Een bruin boontje voor koning Caspar en twee witte. De kinderen die het stukje brood krijgen met een boontje erin, zijn voor die dag koning. Ze krijgen de cape om en een kroontje op het hoofd. Ze mogen wachters uitkiezen die voor de rest van de dag hun hulpjes zijn. En zij mogen kiezen waar ze mee willen spelen. Het lijkt wel alsof ze jarig zijn! Hierna wordt het Driekoningenspel gespeeld.

Paradijs-, kerst- en driekoningenspel
Sinds de oprichting van de eerste vrije scholen in Stuttgart voeren leerkrachten en ouders jaarlijks in heel veel plaatsen ter wereld kerstspelen op voor de kinderen, ouders en vrienden. Deze kerstspelen zijn ontstaan in het Hongaarse dorp Oberufer (tegenwoordig Mostbrug geheten). Het zijn oude boerenspelen, die door Karl Julius Schroer, de vriend en leraar van Rudolf Steiner zijn opgeschreven. Er zijn drie kerstspelen:

· het paradijsspel > over Adam en Eva die worden verdreven uit het paradijs;
· het geboorte- en herdersspel > over de aankondiging van de geboorte van Jezus door engel
  Gabriël, de tocht van Maria en Jozef naar Bethelehem, de geboorte van kindje Jezus en de  verschijning aan de herders;
· het driekoningenspel > over de koningen Melchior, Caspar en Balthasar die de ster zien en en op reis gaan met geschenken voor de nieuwe koning, Jezus.

Leerkrachten en ouders van de Wonnebaldschool voeren de laatste schooldag voor de vakantie het geboorte- en herdersspel op. Na de kerstvakantie wordt het driekoningenspel opgevoerd.

Van advent tot driekoningen op de seizoenstafel
In deze periode verandert er veel op de seizoenstafel: van herfst naar winter naar voorjaar. De eerste adventzondag ruimen we de herfsttaferelen op en bouwen we de tafel opnieuw op. In de adventstijd zien we iets van het ontstaan van de wereld en de mensheid. Als er in de klas een kerststal staat op de jaartafel is die in de eerste week nog leeg: alleen stenen zijn aanwezig, zoals in het begin van het ontstaan van de aarde. In de tweede week komen daar de planten bij, in de derde week de dieren en pas in de vierde week verschijnen de mensen (Maria en Jozef). Op de laatste schooldag voor de kerstvakantie wordt het kindje Jezus toegevoegd.

Het bij kinderen zo geliefde stalletje kan in de Driekoningentijd nog een tijdje blijven staan. Je kunt de herders langzaam laten verdwijnen, die gaan hun schapen weer hoeden. De koningen zijn nu op bezoek in de stal: Balthasar is de oudste, Melchior is de middelste heeft een rode mantel en Kaspar is de donkere koning met een groene mantel. Op school laten we in de kerstvakantie de herders en schapen verdwijnen en zijn na de kerstvakantie alleen de drie koningen te zien.

Na de adventsperiode, het kerstfeest en driekoningen kan de tafel weer worden ingericht als wintertafel, met koele tinten en een tafereel zoals Koning Winter, Olle op ski's, of winterdieren. Aan het einde van de winter kan Vrouwtje Dooi worden gebruikt als overgang naar de lente.

Maria Lichtmis
Op 2 februari wordt in de kleuterklassen van basisschool Wonnebald Maria Lichtmis gevierd: het feest van het sterker wordende daglicht.

Met Maria Lichtmis wordt in de christelijke cultuur het verhaal uit het Lucas evangelie herdacht. Volgens de joodse traditie moest een vrouw veertig dagen na de geboorte van haar kind een reinigingsoffer brengen in de tempel. Voor Maria was die dag op 2 februari, 40 dagen na de geboorte van haar zoon Jezus. Samen met Jozef bracht zij Jezus naar Jeruzalem om hem aan te bieden aan God. In de rooms-katholieke kerk is het gebruikelijk dat op deze dag, vóór de mis, alle kaarsen voor het komende jaar worden gewijd: er wordt een 'lichtmis' gehouden.

Maria Lichtmis is het laatste lichtfeest. Op 11 november, 40 dagen voor kerstmis, vieren we het eerste lichtfeest Sint Maarten, waarbij we het lichtje in de knol ontsteken. Maria Lichtmis vieren we 40 dagen ná kerstmis. De periode tussen 25 december en 6 januari wordt ook wel 'kleine kersttijd' genoemd en de periode van twee maal 40 dagen 'grote kersttijd'. Met dit laatste winterfeest blaast Maria het lichtje uit.

Het is een oud gebruik om op 2 februari de overgebleven kaarsen 's morgens naar buiten te brengen en ze in de aarde, tussen de planten te zetten. Binnen zijn ze niet meer nodig. Vaak zitten we rond dezelfde periode ook weer zonder licht aan het ontbijt. De zon wint aan kracht en de dagen worden voelbaar langer. Maria Lichtmis is een afsluiting maar ook een begin. In vroegere tijden werden rond deze tijd de contracten afgesloten met de landarbeiders: het begin van een nieuw oogstjaar. Het voorjaar ontwaakt langzaam, de natuur komt weer tot leven, rond dit thema worden al van oudsher feesten gevierd en verhalen verteld. Het symbool daarbij is een vrouwenfiguur zoals Demeter (Griekse mythologie), Freija (Germaanse cultuur), Isis (Egypte), Vrouw Holle (sprookjes) en Moeder Aarde met haar wortelkinderen voor de kleuters.

Maria Lichtmis in de kleuterklas
In de kleuterklassen sluiten we gezamenlijk de lichtfeesten van de herfst en winter af met drijvende lichtjes. Het is gebruikelijk om de overgebleven kaarsen om te smelten in kleine vormpjes en ze dan op 2 februari in een grote bak met water (symbool van vruchtbaarheid en nieuw leven) te laten opbranden. Ook worden nog eenmaal alle liedjes van de lichtfeesten gezonden en vervolgens Maria uitgezwaaid.